Thema 8: Vergelijk.nl - Thema 8: Vergelijk.nl 2009-2010 - 2009-2010

Vaardigheidstrainingen Methode en technieken

Onderzoeksvaardigheden 2

 
Vaardigheidstrainingen Onderzoeksvaardigheden I (periode 7) en Onderzoeksvaardigheden  II (periode 8)
Deze beschrijving gaat over de beide vaardigheidslijnen Onderzoek in periode 7 en 8.
Inleiding
In de laatste jaren is er in het debat over onderwijs veel aandacht geschonken aan de kwaliteit van de leraren en de kwaliteit van het lesgeven van leraren. We noemen verschillende redenen hiervoor. Ten eerste is er de discussie over de manier waarop vernieuwingen in het onderwijs zijn ingevoerd. In 2007 is er een parlementair onderzoek naar dit onderwerp geweest, vooral over de invoering van het Studiehuis in de bovenbouw van HAVO en VWO. Jullie hebben daar zelf 'last' van gehad.
De invoering van de landelijke toetsen voor rekenvaardigheid en taalvaardigheid op de pabo is ook een gevolg van discussie over het niveau van de resultaten van de kinderen op het gebied van rekenen en taal. Internationaal onderzoek wees uit dat de niveaus in deze vaardigheden in de loop van de jaren (sinds 2000) relatief lager werden, dat wil zeggen: Nederland zakte op de internationale ranglijsten voor reken- en taalvaardigheid. Onderzoek naar het reken- en taalniveau van pabostudenten gaf aan dat ook deze niveaus lager waren dan 'men' (mensen uit de politiek, journalisten, ouders van leerlingen) verwacht had.
Van leraren wordt nu ook verwacht dat ze in staat zijn steeds beter met grotere verschillen tussen leerlingen in de klas om te gaan. Het aantal probleemkinderen in de gewone basisschool neemt toe, en als gevolg daarvan blijft het speciaal onderwijs groeien. Dit terwijl allerlei maatregelen genomen zijn om deze groei tegen te gaan.
Kortom: van de leraar op alle niveaus wordt steeds meer geëist. Om aan deze verwachtingen te kunnen voldoen (en om uit te kunnen leggen aan welke verwachtingen er niet voldaan kan worden), is het noodzakelijk dat een leraar duidelijk uit kan leggen wat hij of zij doet, waarom dit gedaan wordt en wat de verwachte en gerealiseerde effecten zijn. Om een voorbeeld te geven: Joris is een jongen die zich moeilijk kan concentreren. Hij lijkt in een eigen wereldje te leven. Van de klassikale instructie lijkt hij maar weinig mee te krijgen. Hij wordt door de juf Marieke van groep 6 met zijn gezicht naar een lege muur aan een tafel geplaatst. De ouders, de directeur, de IB-er, de duopartner van de juf, al deze mensen willen graag weten van juf Marieke waarom dit goed is.
Juf Marieke moet dus in staat zijn de volgende dingen te doen:
-        Haar probleem met het gedrag van Joris beschrijven
-        Uitleggen wat er volgens haar aan de hand is
-        Verschillende aanpakken opzoeken of bedenken, en daar een/de goede uit kiezen
-        Deze aanpak uitvoeren
-        Deze aanpak na een tijdje evalueren en eventueel aanpassen,
-        Over de resultaten op een duidelijke manier praten met Joris, ouders en collega's.
Voor zo'n situatie zal juf Marieke waarschijnlijk met de ouders en de IB-er overleggen. Hoogstwaarschijnlijk maakt ze ook een handelingsplan. Maar bij andere problemen of situaties is dat niet nodig. Bijvoorbeeld bij het uitzoeken welke vorm van coöperatief werken in groep 4 bij het technisch lezen goed werkt en welke vorm niet.
Elke keuze van juf Marieke maakt ze op basis van argumenten en volgens een patroon. In deze vaardigheidslijn presenteren we je een manier om deze keuzes op een goede manier te maken. Het gaat dan om de stappen:
-        Probleem beschrijven (aanleiding)
-        Benoemen wat je wilt weten of doen (vraagstelling)
-        Oplossingsmethodiek kiezen en uitvoeren (methodiek)
-        Evalueren op effectiviteit (analyse)
-        Conclusies trekken voor het vervolg (conclusies)
-        En hierover met anderen communiceren (rapporteren)
De woorden in cursief geven de fasen aan die in een onderzoek gebruikt worden. Wat we zeggen is dat juf Marieke, en alle andere leraren heel vaak een bepaalde vorm van onderzoek doen. In deze vaardigheidslijn willen we je leren deze fasen van onderzoek bewust en intentioneel (met opzet, met een duidelijke bedoeling) te doorlopen.
Startbekwaamheden en SBL-competenties
Deze manier van naar je eigen situatie en je eigen handelen kijken, valt onder de zevende competentie: reflectie en ontwikkeling. We hopen en verwachten dat je op een systematische en voor iedereen duidelijke manier problemen of vragen in je dagelijkse praktijk probeert op te lossen en dat je daardoor steeds beter in staat bent om nieuwe problemen en vragen aan te pakken. Door het doen wordt je steeds beter!
Het gaat dus om deze competentie:
7. Competent in reflectie en ontwikkeling
Een leerkracht die competent is in reflectie en ontwikkeling, denkt regelmatig na over zijn beroepsopvattingen en zijn professionele bekwaamheid. Hij streeft ernaar zijn beroepsuitoefening bij de tijd te houden en te verbeteren.
Zo'n leerkracht:
-        Weet goed wat hij belangrijk vindt in zijn leraarschap en van welke waarden, normen en onderwijskundige opvattingen hij uitgaat;
-        Heeft een helder beeld van zijn eigen competenties, zijn sterke en zwakke kanten;
-        Werkt op een planmatige manier aan zijn verdere ontwikkeling;
-        Stemt zijn eigen ontwikkeling af op het beleid van zijn school en benut de kansen die de school biedt om zich verder te ontwikkelen.
Je werkt op veel plaatsen en momenten in je opleiding aan deze competentie, ook aan het onderzoeksdeel van deze competentie. Je zult in het vervolg van de opleiding (in thema's en minoren) deze manier van werken nog vaker tegen komen. In de LIO voer je zelfstandig een volledig onderzoek uit. Zie hiervoor ook de Handleiding Onderzoek 2009 - 2010 op Delphi.
Voorkennis
Je hebt kennis van de cyclus van onderzoek doen. Je hebt ervaring met het zoeken en lezen van Nederlands- en Engelstalige artikelen over een bepaald onderwerp. Je kunt artikelen samenvatten en betekenis geven aan de essentie van literatuur. Je kunt de kwaliteit van vragenlijsten beoordelen en vragen in een vragenlijst zonodig aanpassen.
Je kunt gegevens uit een enquête en een interview verwerken in een inventarisatie tabel met behulp van een codeboek. Je kunt de numerieke resultaten interpreteren en samenvatten.
Doelen
Deze doelen gelden voor de beide vaardigheidslijnen. De meeste doelen worden in VL I passief (d.w.z. op herkenningsniveau) gehaald. In VL II werk je actief aan deze doelen.
Kennis:
-        De student heeft zelfkennis: hij weet goed wat hij belangrijk vindt in zijn leraarschap en van welke waarden, normen en onderwijskundige opvattingen hij uitgaat.
-        De student kent de eigen mogelijkheden, sterkten en zwakten als resultaat van een SWOT op het gebied van onderzoeksvaardigheden.
-        De student beschrijft de fasen in het uitvoeren van een Practical-Action-Research: ontwerpen van het onderzoek - literatuuronderzoek - vraagstelling formuleren - keuze dataverzamelingsmethode - data verzamelen - data analyseren - conclusies formuleren (analyse - literatuur) - betekenis voor eigen handelen beschrijven - vervolgstappen concretiseren.
-        De student kent basale begrippen uit de statistiek, zoals meetniveau, steekproef, spreiding, spreidingsmaten.
-        De student beschrijft verschillende manieren van dataverzameling: enquête, interview, observatie.
-        De student beschrijft verschillende manieren van data-analyse: frequentieverdelingen, gemiddelde, spreidingsmaten, codeboeken.
-        De student gebruikt de kenmerken van SMART voor het formuleren van doelen.
-        De student beschrijft factoren in en van de groep en de school die het opzetten en uitvoeren van een onderzoek beïnvloeden.
-        De student gebruikt het APA-systeem voor literatuurverwijzing in een verslag.
-        De student laat de kenmerken van een goed onderzoeksverslag zien in een artikel.
Vaardigheden:
-        De student voert het onderzoek planmatig uit.
-        De student kiest relevante literatuur bij het onderwerp.
-        De student verwerkt literatuur in het artikel, volgens normen van relevantie, actualiteit en (wetenschappelijke) reputatie.
-        De student kiest onderwerp, literatuur, dataverzamel- en analysetechnieken op basis van de mogelijkheden van de groep en de school, passend binnen de onderzoeksthema's van de onderzoekscellen (onderzoeksgroep, bestaande uit docenten van de pabo en leerkrachten van basisscholen, zie ook hoofdstuk 3).
-        De student beschrijft zijn analyse (dataverzameling - data-analyse - conclusies) helder en consistent, waarbij de statistische en/of methodologische kennis herkenbaar gebruikt wordt.
-        De student beargumenteert zijn conclusies op basis van de onderzoeksresultaten.
-        De student formuleert waar mogelijk aanbevelingen, zowel voor de beroepspraktijk als voor verder onderzoek.
-        De student relateert de bevindingen uit zijn onderzoek aan die uit de gebruikte literatuur.
-        De student gebruikt in zijn keuzen in het proces de kenmerken van SMART.
-        De student schrijft een artikel zonder taalfouten: in spelling, in grammatica en in stijl.
-        De student schrijft een artikel met een goede structuur.
-        De student gebruikt het APA-systeem bij literatuurverwijzingen consequent en volledig.
-        De student levert op tijd een verzorgd artikel aan: lay-out, alle onderdelen aanwezig.
-        De student deelt zijn bevindingen met medestudenten.
Attitude:
-        De student is bereid op een planmatige manier aan zijn verdere ontwikkeling te werken.
-        De student is bereid zijn eigen competenties, zijn sterke en zwakke kanten te onderzoeken en te bespreken.
-        De student is nieuwsgierig en bereid met collega-studenten over haar vragen te spreken.

 
Periode 8
In deze periode voer je zelfstandig een onderzoek uit in kleine groepen. Ter ondersteuning krijg je les in observatie- en interviewtechnieken en in analysemethoden. Er wordt ook aandacht besteed aan het samenstellen van vragenlijsten.
Je gaat zo snel mogelijk aan de slag met je eigen onderzoek. We gebruiken de lessen voor begeleiding bij het uitvoeren van je onderzoek..
Toetsing
In vaardigheidslijn II is de toetsing een peerassessment over een zelfgeschreven artikel over het onderzoek dat je in deze periode opzet en uitvoert. Je geeft op basis van vooraf vastgestelde criteria een beoordeling (een cijfer tussen 1 en 10, heel getal) voor dit artikel.
Algemene werkwijze
De vaardigheidslijn bestaat officieel uit 6 bijeenkomsten van elk 1,5 uur.
Omdat je gedurende de derde week in het buitenland (of elders) op stage zijn, bestaat deze vaardigheidslijn uit 5 lessen.
 De activiteiten worden in de lessen zowel in de hele groep als in kleine groepen uitgevoerd. Het huiswerk kan individueel, in duo's en in groepen van 3 studenten uitgevoerd worden.

Bijeenkomst

Thema/activiteiten

Studielast in uren (inclusief docentonafhankelijke voorbereiding en afronding)

1

1.     De onderzoeksvraag: concretiseren, subvragen, literatuur zoeken
2.     Hoe schrijf je een artikel?
3.     Criteria artikel
4.     Zelfstandig werken  & begeleiding van groepjes

1,5 uur

Huiswerk:

Literatuur zoeken
Onderzoeksvraag herformuleren
Tijdpad maken
 

4 uur

2

1.     Onderzoekstechnieken: observaties
2.     Onderzoekstechnieken: enquête maken
3.     Zelfstandig werken  & begeleiding van groepjes

1,5 uur

Huiswerk

Literatuur zoeken, lezen en samenvatten
Observatieschema's maken
Enquête maken

6 uur

3

1.     Vaststellen instrumenten
2.     Analysemethoden kiezen: codeboek en inventarisatieschema's
3.     Zelfstandig werken  & begeleiding van groepjes

1,5 uur

Huiswerk

Afnemen vragenlijsten
Observaties
Eerste stappen analyse
 

4,5 uur

4

1.     Conclusies trekken uit analyse
2.     Gegevens uit vragenlijsten in 1 lijst verzamelen
3.     Bespreken analysemethoden
4.     Zelfstandig werken  & begeleiding van groepjes

1,5 uur

Huiswerk

Schrijven artikel

6 uur

5

Peerassessment artikel
1.     Lezen artikel
2.     Beoordelen op basis van criteria
3.     Feedback geven
4.     Cijfer vaststellen
5.     Evaluatie Vaardigheidslijn

1,5 uur

Totaal

28 uur

 
Literatuur
Ax, J., Ponte, P. & Brouwer, N. (2008). Actieonderzoek in de initiële lerarenopleiding: een verkenning VELON Tijdschrift voor Lerarenopleiders jrg 29 (1) 2008: 21 - 30
Baarda, D.B., Goede, M.P.M. de & Teunissen, J.B. (2de druk, 2009). Basisboek kwalitatief onderzoek. Houten: Stenfert Kroeze
Boeije, H. (2006). Analyseren in kwalitatief onderzoek. Denken en doen. Amsterdam: Boom
Braak, J. van, Vanderlinde, R. & Aelterman, A. (2008). De wisselwerking tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk: de rol van de lerarenopleiding. VELON Tijdschrift voor Lerarenopleiders, jrg. 29 (4) 2008: 5 - 12
Burton, D. & Bartlett, S. (2005). Practitioner Research for Teachers. London: Paul Chapman Educational Publishing
Campbell, A. McNamara, O. & Gilroy, P. (2004). Practitioner research and professional Development in Education.  London: Paul Chapman Publishing
Donk, C. van der & Lanen, B. van (2009), Praktijkonderzoek in de school. Bussum: Coutinho
Geerdink, G. (2008). Onderzoeken vanuit een biografisch perspectief, gebruikmakend van de biografische methode. VELON Tijdschrift voor Lerarenopleiders, jrg 29 (4) 2008: 27 - 34
Kallenberg, T., Koster, B., Onstenk, J. & Scheepsma, W. (2007). Ontwikkeling door onderzoek. Een handreiking voor leraren. Utrecht/Zutphen: ThiemeMeulenhoff
Lunenberg, M., Ponte, P., Van de Ven, P-H. (2006). 'Waarom zouden docenten en opleiders geen onderzoek mogen doen....? VELON Tijdschrift voor Lerarenopleiders, jrg 27 (2) 2006: 4 - 12
Newman, J. M. (2000), Action Research: A Brief Overview Forum. Qualitative Social Research, (Volume 1, No. 1, Art. 17)
Smeets, K & Ponte, P. (2008), Actieonderzoek als strategie voor leiderschap van docenten. VELON Tijdschrift voor Lerarenopleiders, jrg. 29 (2) 2008: 22 - 30
Internet:
http://networkedlearning.ncsl.org.uk/collections/network-research-series/reports/teacher-researcher-reports/nlg-perspectives-on-practitioner-research.pdf   22 juli 2009
http://findarticles.com/p/articles/mi_6935/is_2_31/ai_n28551989/pg_9/?tag=content;col1 22 juli 2009