Inleiding
In de tegenwoordige maatschappij is de computer een niet meer weg te denken hulpmiddel. Maatschappelijke veranderingen ten aanzien van het gebruik van computers hebben ook gevolgen voor het onderwijs. Op welke manier gaat het onderwijs om met de nieuwe ontwikkelingen? Hoe kunnen deze ontwikkelingen een bijdrage leveren aan het onderwijs. Wat zijn de gevolgen voor de school- en klassenorganisatie en dus ook voor de leerkracht? Nieuwe media, waaronder computers, maar ook andere nieuwe digitale middelen zoals een digitaal schoolbord, behoren in toenemende mate tot de basisuitrusting van basisscholen. Nieuwe media kunnen bij uitstek ondersteuning bieden bij onder andere: visualisering, administratieve handelingen en differentiatie. Er kan geleerd worden door, met en over nieuwe media; de mogelijkheden lijken grenzeloos, met name door de mogelijkheden die het Internet biedt. Wat hebben we aan het Internet in de onderwijspraktijk? Het Internet wordt getypeerd als een wereldwijd communicatiesysteem en als bron van een (bijna) onbeperkte hoeveelheid informatie. Om met deze veranderingen te leren omgaan is een bepaalde mate van mediawijsheid nodig. De technische vaardigheden van kinderen om met internet om te gaan zijn vaak goed, soms zelfs beter dan van volwassenen. Maar mediawijsheid gaat verder dan (uitsluitend) het bedienen van de knoppen: mediawijs zijn houdt in dat kinderen in staat zijn media kritisch te analyseren, te interpreteren en te contextualiseren. Kinderen zullen zich bij gebruik van media moeten afvragen wie iets gemaakt heeft, waarom het gemaakt is en waarom het op deze manier gemaakt is (Raad voor Cultuur, 2005; SCO-Kohnstamm Instituut, 2006a). Kinderen moeten weten dat er bepaalde regels zijn in het gebruik van media en dat er risico’s aan verbonden zijn. Ook zullen zij, heel praktisch, moeten weten hoe je gezond bezig bent met media. Uit onderzoek blijkt dat er voor deze aspecten van mediagebruik geen of weinig aandacht is. Niet door ouders die naar de verantwoordelijkheid van scholen wijzen om hier aandacht aan te besteden en niet door scholen die naar de verantwoordelijkheid van ouders wijzen.
De kenmerken voor ict-gebruik / nieuwe media in het onderwijs zijn:
· De mate waarin de school voldoet aan condities, noodzakelijk voor goed ict-onderwijs, met betrekking tot hardware, software, deskundigheid, beheer en beleid.
· De mate waarin de onderwijsgevenden en leidinggevenden ict binnen en buiten de lessen gebruiken als gereedschap.
· De mate waarin leerlingen leren over ict en of dat aanbod adequaat is.
· De mate waarin ict wordt ingezet om de leerlingen zelfstandig onderdelen van het onderwijsleerproces te laten doorlopen.
· De mate waarin leerlingen leren met ict als hulpmiddel bij tekstverwerking, informatieverzameling en communicatie.
Wanneer het gaat over de startbekwaamheid van studenten, zijn voor de opleiding Leraar Basisonderwijs een tweetal zaken van belang:
1. De beginnende leraar integreert informatie- en communicatietechnologie in zijn onderwijswerk.
Dat betekent dat de beginnende leraar:
a. kennis heeft van opvattingen over informatie- en communicatietechnologie en de achterliggende opvattingen over de informatiemaatschappij;
b. de begrippen ict als object, als aspect en als gereedschap voor het onderwijsproces met elkaar verbindt en een plaats geeft in zijn onderwijswerk;
c. didactische route ontwerpt voor zichzelf en voor zijn leerlingen waarin multimediaal werken integraal voorkomt;
d. door zijn ervaringen met dergelijke routes voor zichzelf een voortgaand professionaliseringstraject ontwerpt.
2. De beginnende leraar optimaliseert leerprocessen door de inzet van passende media en door leerlingen gebruik te laten maken van informatie- en communicatietechnologie.
Dat betekent dat de beginnende leraar:
a. bekend is met de functies van uiteenlopende onderwijsmiddelen, materialen, moderne media en moderne communicatiemiddelen als Internet en E-mail;
b. vertrouwd is met het technische gebruik van een aantal middelen;
c. voor het gebruik van onderwijsdoelen en het ontwikkelingsstadium van de leerlingen passende media inzet;
d. zo reflecteert op de middelen, dat hij opmerkingen vanuit zijn rol als gebruiker van die middelen aan derden aanwijzingen kan geven over aan te passen of verder te ontwikkelen onderwijsmateriaal;
e. multimediaal werkt: met een combinatie van tekst, beeld en geluid via een computersysteem. Bronnen Deze vaardigheidslijn geeft een inleiding in het hoe en waarom van nieuwe media in het basisonderwijs, waarbij de keuze is gemaakt om het onderwerp mediawijsheid verder uit te diepen.
De inhoud van deze vaardigheidslijn is tot stand gekomen met behulp van de volgende bronnen die tevens door de studenten geraadpleegd (kunnen) worden: - Baars, G.J.A., et al. (2009). Digitale didactiek. Praktische stappenplannen voor het gebruik van ICT in het hogere onderwijs. Den Haag: Lemma. - Bronkhorst, J. (2002). Basisboek ICT didactiek digitale didactiek. Baarn: HBuitgevers. - Bijlsma, A. & Mur, J. (2009). Handboek DigiBord & Didactiek. Zuidhorn: De Rode Planeet. - Handboek mediawijsheid. Praktische gids en inspiratie voor het onderwijs. Stichting Mijn Kind Online.
Algemene werkwijze De vaardigheidslijn bestaat uit 5 bijeenkomsten van elk 1,5 uur.
Voor deze vaardigheidslijn maken we gebruik van de sociale netwerkomgeving ‘Ning’. In deze omgeving staat de informatie die behoort bij deze vaardigheidslijn. Via de schoolemail krijg je een uitnodiging om lid te worden van de omgeving. Doe dit zo snel mogelijk.
http://nieuwemediahszuyd.ning.com
Bijeenkomst
Thema/activiteiten
Studielast in uren
(inclusief docentonafhankelijke voorbereiding en afronding)
1
Mediawijsheid en ik
3
2
Mediawijsheid en het basisschoolkind
3
3
Mediawijsheid en de rol van de leerkracht (1)
6
4
Mediawijsheid en de rol van de leerkracht (2) – Smartboard
2
5
Presentaties van de promotiefilmpjes Promotiefilmpjes van de studenten opdracht 2! De studenten beoordelen elkaars werk op papier met behulp van een lijst van de bij de opdracht gevoegde criteria.
14
Beoordeling Je bent elke bijeenkomst (de gehele bijeenkomst) aanwezig en voorbereid. Ben je meer dan 1 keer afwezig of niet voorbereid geweest, krijg je aan het eind van de periode een extra opdracht (zie herkansing). Tevens zal de SLB’er hiervan op de hoogte worden gesteld. Let ook op het taalgebruik (grammatica en spelling). Bij teveel fouten in zal het werk niet nagekeken worden.
Opdracht 1: promotiefilm nieuwe media Maak in drietallen een promotiefilm over nieuwe media in het basisonderwijs. Je kiest een onderwerp uit de digitale methode Veilig Internet. Rondom dit onderwerp maak je je film.
De onderwerpen uit de digitale methode Veilig internet (onderbouw/ bovenbouw) a) ‘ik surf veilig’ b) ‘is alles waar?’ c) ‘speurneuzen’ d) ‘wie ben jij?’ e) ‘digitaal pesten’ f) ‘internet respect’ Criteria promotiefilm 1. De opdracht wordt gemaakt in drietallen (toon aan welke bijdrage elk individu heeft geleverd). 2. In de film komen onderstaande punten duidelijk naar voren: a. De film promoot de inzet van nieuwe media in het dagelijkse onderwijsproces (breed) en werkt toe naar het onderwerp (smal). De praktijkgegevens in de film worden onderbouwd met de theorie uit de lessen 1, 2 en 3.
b. Maak een keuze voor een doelgroep (jonge kind gr 1 t/m 4 – oudere kind gr 5 t/m 8). c. Breng de huidige stand van zaken op één van de stagescholen in kaart door de volgende zaken te onderzoeken: Wat er gebeurt binnen de school met nieuwe media rondom de gekozen doelgroep: * de visie van de school op nieuwe media in het onderwijs; * hoeveel en welke nieuwe media zijn beschikbaar; * hoeveel tijd is ervoor ingeroosterd; * welke aandacht krijgt je gekozen onderwerp binnen de gekozen doelgroep? Ga middels een interview/ enquête bij de kinderen uit je gekozen doelgroep na: * hoe de kinderen nieuwe media in de privésituatie gebruiken (welke, waar, wanneer, hoelang, enz.). * wat ze al weten van het onderwerp dat je gekozen hebt en wat ze verwachten van de school hierover te leren). d. Vat de gegevens samen middels beelden en uitspraken. e. De promotiefilm moet eindigen met een inhoudelijk relevante vraag, statement of discussiepunt. f. Kies passende muziek bij de film (dus niet zomaar een bekend popliedje). g. Plaats de promotiefilm op youtube en koppel deze naar de NINGomgeving.
Je mag zelf het programma kiezen waarin je de film maakt. Als je dit nog nooit hebt gedaan, ga je dit uitwerken in Windows Moviemaker. Op de NINGomgeving staat een handleiding die je stap voor stap kunt doorlopen.
Eindbeoordeling: ov-vo-rv-go-zg Aan de criteria zijn punten verbonden. Het aantal punten bepaalt de hoogte van de beoordeling. Het punt wordt gemiddeld met de peerbeoordeling. Formatief moment: Je maakt een digitale storyline met daarin het verhaal dat verteld wordt in de film (doel, lijn van het verhaal, het aantal plaatjes en wat komt er op die plaatjes te staan, tijdsplan, wie heb je ervoor nodig en de vragen die je gaat gebruiken voor je interview/ enquête) en deze is geplaatst in de NING omgeving uiterlijk maandag 14 maart 2011. Opdracht 2 peerbeoordeling In de laatste bijeenkomst worden de films getoond. Iedere student beoordeelt mee.
Je krijgt aangewezen wie je moet beoordelen middels de kijkwijzer. Hierop vul je het aantal punten in en een verantwoording. Voor deze peerbeoordeling kun je de beoordeling onvoldoende of voldoende behalen. Je behaalt een voldoende als je op een inhoudelijk goede wijze het puntenaantal (per onderdeel) hebt verantwoord. Er moet in de verantwoording aangetoond worden wat geleerd is tijdens de vaardigheidslijn (de juiste begrippen gebruiken passend bij nieuwe media) Je behaalt een onvoldoende als de verantwoording niet gebeurt volgens de theorie die besproken is tijdens de lessen.
Ben je tijdens deze bijeenkomst afwezig, dan krijg je een extra opdracht die aangevraagd kan worden bij de docent.
Literatuur Zie inleiding