OPVALLEN OF NIET
Inleiding
In deze vaardigheidslijn onderzoekt de student verschillende verschijningsvormen van verbeelden, gekoppeld aan individuele leerbehoeften. Hierbij ligt de nadruk op 'kleurcontrasten', de specifieke werking van kleuren naast elkaar. Er wordt gestreefd de student een verdere handreiking te bieden in zijn inzicht rond het beeldaspect 'kleur' en de toepassingen hiervan in eigen werkstukken en die van anderen.
Daarnaast krijgt de student aanwijzingen voor de praktijk en oriënteert hij zich op de mogelijkheden om te werken met kleurcontrasten in de basisschool.
Kleuren kunnen onderling hun 'uitstraling' versterken of juist afzwakken en daardoor bijvoorbeeld meer of minder naar voren komen. 'Opvallen of niet' staat echter ook centraal bij de vraag hoe je een les handvaardigheid of tekenen moet geven en de rol van de leerkracht daarin.
Naast de praktische activiteiten nemen de studenten kennis van de verschillende vormen en visies van beeldend onderwijs. In het bijzonder komen de actuele stromingen aan de orde. Het gaat er hierbij vooral om dat de student zich bewust wordt van het waarom en wat je zou kunnen doen in het beeldend onderwijs op de basisschool: een aanzet tot eigen visie.
Doelen:
verbreed en welke materiaal/technische vaardigheden hij heeft
geleerd, ontdekt en/of heeft versterkt.
kennis, inzicht en vaardigheden te verwerven, waarmee hij
gedachten, gevoelens en ervaringen op persoonlijke wijze kan
vormgeven in beeldende werkstukken.
ontwikkelen naar aanleiding van het experimenteren met
verschillende technieken. De strategieën geven enerzijds blijk van
een adequaat combineren van beeldaspecten, materialen en
technieken en anderzijds moeten ze zichtbaar maken dat de
student eigen ideeën op een persoonlijke wijze kan vormgeven in
een voor hem of haar betekenisvol beeld. Naar analogie van deze
'good-practice (voorbeeld)situaties' ontwikkelt de student een
didactisch handelingsrepertoire voor de werkplek.
betreffende beeldende problematiek en kunnen daar een eigen
mening over geven. Dit betreft ook de beeldende producten van
kinderen (kunnen beoordelen, evalueren).
van beeldend onderwijs en doen een eerste aanzet tot eigen
meningsvorming omtrent een bepaalde visie c.q. keuze.
inzichten en vaardigheden door middel van het uitvoeren van een
werkplekopdracht rondom 'kleur'.
Algemene werkwijze:
De vaardigheidslijn bestaat uit zes bijeenkomsten van 1,5 uur. Elke bijeenkomst bestaat uit een receptief (beschouwend) en productief (praktisch werken) deel. Beide componenten zijn gericht op het verwerven van competenties ten behoeve van het uitvoeren van verantwoorde onderwijsactiviteiten.
Voor het functioneren als leerkracht vindt in elke bijeenkomst, actueel en incidenteel, reflectie op en transfer naar de onderwijspraktijk plaats. Veel praktijkvoorbeelden worden gevisualiseerd aan de hand van werk van basisschool kinderen.
Naast de bijeenkomsten nemen de studenten, door middel van zelfstudie, kennis van de verschillende vormen en visies van beeldend onderwijs (Beeldonderwijs en Didactiek, Schasfoort).
Schema
Bijeenkomst
Activiteiten
Studielast in uren
1
-Introductie, toelichting thematiek
-werkcollege beeldthema hoofd
1,5
2
-werkcollege: voortzetting
onderzoeksactiviteiten
-reflectie en transfer
1,5
3
-werkcollege: voortzetting
onderzoeksactiviteiten
-reflectie en transfer
1,5
4
-werkcollege: van onderzoek naar
verbeelding
-reflectie en transfer
1,5
5
-werkcollege: van onderzoek naar
verbeelding
-reflectie en transfer
1,5
6
-presenteren, evalueren
-reflectie en transfer
1,5
SBU
21
herkansing
Totaal
28
Beoordeling
werkstuk:
• De studenten kunnen verwoorden hoe anderen zijn omgegaan met betreffende beeldende problematiek en kunnen daar een eigen mening over geven. Dit betreft ook de beeldende producten van kinderen (kunnen beoordelen, evalueren).
Opdracht theorie/werkplekleren:
• De student is in staat de verworven inzichten en leerstrategieën toe te passen in de authentieke situatie van de basisschool.
• De student laat zien:
-in welke context hij de kinderen kan stimuleren en inspireren;
-hoe een verantwoorde beeldende activiteit er voor groep 1 t/m 8 kan uitzien;
-hoe hij een beeldend inspirerende leeromgeving inricht;
-welke ruimte er is voor onderzoek en welke beeldende inzichten te ontdekken
vallen;
-welke eisen hij stelt aan de kwaliteit van het beeldend werk(proces).
• De student kan verschillende vormen en visies van beeldend onderwijs beschrijven en demonstreert een aanzet tot eigen meningsvorming.
Het eindpunt wordt bepaald door
- Het cijfer van het werkstuk.
De minimale waarde van het cijfer moet 5,5 zijn.
Om tot een voldoende resultaat te kunnen komen is volledige aanwezigheid van
studenten verplicht.
- De opdracht theorie/werkplekleren moet 'voldaan' (=voldoende) zijn.