Werkplek- taken
1. De vergelijkende zorg- opdracht
De studenten hebben al ervaringen opgedaan met het vergelijken van leeftijdsgroeperingen in het onderwijs van thema 6.
1.1 De vergelijkende zorg- opdracht (individuele opdracht)
Doel is om het inzicht van de student te vergroten op kinderen met een speciale zorgvraag binnen het (speciaal) basisonderwijs. Het bestuderen van de zorgstructuur op de reguliere basisschool en het S(B)O gebeurt door middel van een beschrijvend vergelijkende opdracht.
1.2 Wat is een vergelijkende opdracht?
Een vergelijkende opdracht is een manier van onderzoeken. Wij spreken in dit stadium nog niet onderzoeken, daarvoor is het nog niet diepgaand genoeg, maar over ervaring opdoen.
Ervaringen opdoen waarbij de student twee (of meer) groepen of situaties met elkaar vergelijkt. Vergelijkend ervaringen opdoen wordt getypeerd met een vraagstelling als: "Wat zijn de verschillen tussen .....". De vraagstelling duidt al heel duidelijk aan dat iets met iets op bepaalde kenmerken vergeleken wordt.
Voorbeelden van dit soort ervaringen zijn "vergelijk het "jonge kind met het oudere kind en de VMBO jongere"; zie thema 6, onderzoek.
In principe hoeft het design zich niet te beperken tot twee groepen, maar kunnen er veel meer groepen worden onderscheiden. Men kan het onderwijssysteem in Nederland, Duitsland, Engeland en Frankrijk met elkaar vergelijken of een aantal wasmachines van diverse fabrikanten. Ook bij beschrijvend onderzoek zijn meerdere groepen te onderscheiden. Dit is dan evenwel beter op te vatten als afzonderlijke onderzoekingen omdat er niet onderling vergeleken wordt. Bij vergelijkend onderzoek is dat expliciet wel het geval. Wij gaan in thema 7 de vergelijkende zorg- opdracht kwalitatief verwerken.
Kwalitatieve analyse is veelal kleinschalig en hypothesevormend. Bij kwalitatieve analyse gaat het om het vóórkomen van bepaalde uitspraken, en niet om de frequentie waarmee de uitspraken worden gedaan. Met kwalitatieve analyse wordt getracht de achterliggende motivaties van een doelgroep in kaart te brengen. Het stelt je in staat inzicht te krijgen in de (emotionele) drempels, knelpunten, attitudes, percepties, wensen en behoeften van de doelgroep. De methode wordt dan ook vooral toegepast wanneer een bepaalde diepgang in de informatie gewenst is.
Dat betekent voor ons thema dat we op zoek gaan naar informatie over wát er leeft onder bepaalde doelgroepen en waarom. Deze vorm van analyse geeft diepere informatie doordat er vragen gesteld worden waarbij je in kunt gaan op achterliggende motivaties, meningen, wensen en behoeften van de doelgroep. Ook kan kwalitatieve analyse worden gebruikt om een doelgroep (in ons geval de student) zelf mee te laten denken over bijvoorbeeld innovaties, competenties en toekomstig beleid.
Uit: F. van der Zee: Kennisverwerving in de Empirische Wetenschappen, de methodologie van wetenschappelijk onderzoek. BMOOO, Groningen, 2004.
1.3 De opzet van de vergelijkende zorg- opdracht
Ervaringen opdoen voor het vergelijken van zorg in regulier en speciaal onderwijs
Criteria 'vergelijkende zorg- opdracht'
1. Kind, ouders, omgeving, buurt
2. School, collega's, team, organisatie
3. Jij als leerkracht: pabo'er en persoon/ stagiaire
4. ZAT- teams, Jeugd en gezin, Beleid, (gemeente, provincie, landelijk), organisatie extern
Vijf stappen voor de 'vergelijkende zorg- opdracht':
1. Het opstellen van richtvragen
o Bestudeer het krachtenveld.
o Stel een lijst met onderwerpen op die bij elke kracht van het krachtenveld past.
o Maak op basis van deze onderwerpen een lijst met richtvragen bij elke kracht.
o Deze richtvragen moeten gelegenheid bieden tot onderzoek binnen het reguliere onderwijs en de S(B)O- school.
Stap 2 t/m 4 doorloopt de student binnen de reguliere basisschool én de S(B)O- school.
2. Praten met medestudenten, toekomstige collega's etc.
o Kies een beperkt aantal mensen (bijv. intern begeleider, mentor, kind, ouder) met wie je gaat praten om antwoord te krijgen op de richtvragen.
o Noteer in steekwoorden de antwoorden of uitspraken van deze mensen
o Maak een lijstje met kernwoorden uit de antwoorden voor in de beschrijving van de vergelijkende opdracht
3. Kijken naar de activiteiten
o Vanuit de richtvragen:
maak je een lijst met aandachtspunten voor het kijken naar activiteiten binnen de school, bijvoorbeeld
§ zorgniveaus van de stagegroep in kaart brengen
§ zorgniveaus vergelijken met andere studenten van dezelfde school
§ leerkrachtvaardigheden van mentor in kaart brengen die horen bij adaptief onderwijs
§ individueel of in groepjes
§ met hulp van onderwijsassistent of ouder
§ alleen in de klas of ook buiten de klas
§ methodegebonden of door leerkracht gekozen
§ instructie
§ ....
o Schrijf achter elk woord of woordenpaar wat je ziet als je door de school loopt of bij een activiteit zit
o Noteer ook wanneer je wat gezien hebt, in welke groep, bij wie (dit kan helpen als je later nog met deze leerkracht wilt praten, of met de IB-er)
4. Lezen van documenten
o Vanuit de onderwerpen en richtvragen, maak je een lijst met onderwerpen waar je geïnteresseerd in bent
o Inventariseer eerst voorkennis uit opleiding (denk aan handboeken, themaboeken, (werk)ervaring, voorlichtingen etc.)
o Zoek vervolgens documenten en boeken op waar deze onderwerpen en richtvragen in opgenomen zijn:
§ Schoolgids
§ schoolplan
§ zorgstructuur basisschool
§ handleiding bij methoden
§ literatuur in eigen bezit
§ internet
§ ....
5. Verslag 'vergelijkende- zorg- opdracht'
o Op basis van de bevindingen op de richtvragen vanuit stap 2 t/m 4 schrijft de student in 6 á 7 pagina's een verslag.
1.4 2. Analyseren van en participatie binnen een handelingsplan
Vanuit de geïnventariseerde gegevens kiest de student in overleg met de mentor een leerling met een groter handelingsplan of een leerling met een "rugzak".
Het is de bedoeling dat de student intensief gaat participeren bij een onderdeel van de begeleiding bij dit plan gedurende het laatste blok van dit thema. Dit zijn twee donderdagen en een stageweek. De student gaat in overleg met de mentor hoe hij deze tijd qua begeleiding van de zorgleerling zo effectief mogelijk kan benutten. Dit kan betekenen dat de student gedurende deze tijd, zijn tijd op de werkplek vooral stopt in de één-op-één begeleiding van deze leerling.
Het is de bedoeling dat de student, na in overleg met de mentor de keuze voor een leerling te hebben gemaakt, het handelingsplan van de zorgleerling bestudeert. De student onderzoekt door middel van het voeren van gesprekken met de mentor/ IB'er/ zorgcoördinator en het inlezen van het dossier van de leerling, hoe het handelingsplan van de leerling tot stand is gekomen. Welke keuzes zijn er gemaakt en waarom? Welke begeleidingstrajecten hebben er al gelopen en lopen er op dit moment? Door wie wordt de begeleiding uitgevoerd en waarom? Worden er orthodidactische en/ of orthopedagogische methodes gebruikt? Is er expertise gehaald vanuit het S(B)O? etcetera. In een kort schrijven doet de student verslag van zijn bevindingen.
Vervolgens gaat de student actief met de leerling aan de slag. De student houdt een logboek van de begeleiding bij en noteert iedere sessie wat het doel geweest is van de hulpverlening, wat er aan de orde is geweest, op welke manier er gewerkt is, hoe is er instructie gegeven, hoe het werken verlopen is, wat is de opbrengst geweest en maakt het plan voor de volgende sessie.
Belangrijk aandachtspunt bij het werken met kinderen is: zoek de aansluiting bij de kwaliteiten en zorg dat het werken betekenisvol is voor het kind.
Kinderen die meer moeite hebben met iets, hebben al menig frustratiemoment gehad waardoor het competentiegevoel geschaad is en de motivatie daardoor mogelijk gedaald. Ze voelen zich ook niet meer autonoom.
Hierin ligt een belangrijke opdracht:
Hoe help ik een kind op een manier dat hij /zij zich daarbij veilig voelt, zijn / haar competentie gevoel omhoog gaat en waardoor hij /zij zich weer autonoom durft te voelen? Welke leerkrachtvaardigheden heb je daarvoor nodig?
Voorbeeld van deelname aan een handelingsplan:
Begeleiding van leerling met syndroom van Down in groep 3. Deze leerling krijgt elke dag een uur individuele begeleiding van de I.B.-er. De I.B.-er begeleidt deze leerling met lezen en gebruikt daarvoor, aanvullend aan de methode Veilig Leren Lezen, de methode Veilig in Stapjes. Een mogelijkheid voor deelname van de student in dit traject is: de begeleiding van het oefenen met het computerprogramma Veilig in Stapjes, iedere dag dat de student aanwezig is, gedurende stagedagen in dit blok. Dit is een afgebakend geheel binnen een begeleidingstraject, waardoor de student in de gelegenheid is de leerling te volgen in de ontwikkeling op dit onderdeel en de effecten te onderkennen.
1.5 Contact met het SO/ SBO werkveld.
Een van de onderdelen van dit thema is dat de student, daadwerkelijk gaat meelopen op een werkplek in het speciaal onderwijs of SBO in de tweede stageweek (week 5). Natuurlijk zal de situatie bij iedere student anders zijn. Daarom is het belangrijk dat de student goede afspraken maakt op de vrijdag in week 4.
Wat zijn de verwachtingen als student, wat verwacht de PABO en wat zijn de verwachtingen van de stageschool? Dit gaat altijd in goed overleg met de verantwoordelijke van de stageplaats en de tutor/ studieloopbaanbegeleider van dit thema. Wij gaan er van uit dat de student eerst alle mogelijke informatie verwerkt die buiten de stageplaats is te vinden. Belangrijk is bij het krijgen van een beeld van de school, dat de student ook actief participeert in het schoolgebeuren. De student bepreekt dit met de contactpersoon van de school.
Bedoelingen
Kennismaken met kinderen en collega's van de S(B)O- school door middel van observatie en het actief meedraaien in het onderwijsproces van de school.
Een vooruitblik op het werken in het SO/SBO: verschil tussen reguliere stageschool en de realiteit van de SO- stageplaats