Thema 6: Oriëntatie bij het Jonge Kind / Oudere Kind / VMBO - Thema 6: Oriëntatie bij het Jonge Kind / Oudere Kind / VMBO - 2010-2011

Taken Onderwijsgroep

Instructie taak 1 Deelthema: Jonge kind

-

Instructie taak 2 Deelthema: Oudere kind

-

Instructie taak 3 Deelthema: VMBO/LWOO

-

Deelthema:Jonge kind

 
- Deelthema Jonge Kind.
Week A
Maandag
Introductie thema
Artikel : Expert leert kinderen spelen  ( Zie Delphi)
Spelbegeleiding aan huis.
Spelbegeleiders helpen ouders hun kinderen te leren spelen.
Spelen in en rondom het huis is blijkbaar geen vanzelfsprekendheid (meer).
Lees het artikel en probeer je eigen opvatting over deze opvoedingsondersteuning te formuleren.
Overleg in groepen.
 -        Wat is spelen?
Formuleer samen met je groep een definitie van het begrip spelen.
Formuleer samen met je groep de rol van de volwassenen.
 -        Wat speelde jij vroeger?
 Wat was jouw voorkeur? Construeren, poppen, barbies, buiten, enz.
Speelde je vaak samen met anderen of liever alleen?
 -        Waarom is spelen zo belangrijk voor het kind?
 -        Waarom denk je dat  het project 'Spel aan huis' nodig is?
Denk hierbij aan de rol van de volwassenen, de materialen waarmee gespeeld kan worden en de letterlijke ruimte die kinderen tot hun beschikking hebben.
 
Werkplek opdracht. (2 A-4tjes)
Verplichte opdracht voor de A-week
Kijk op je werkplek naar de spelmogelijkheden van het jonge kind.
Rollenspel in de speel- of themahoek.
-        Beschrijf de inrichting.
-        Beschrijf de rol van de leerkracht.
-        Welke mogelijkheden heeft het kind tot eigen initiatief?
Buitenspel.
-        Beschrijf de speelruimte.
-        Beschrijf de spelmaterialen die je aantreft.
-        Beschrijf de rol van de leerkracht.
 
Week A.
Vrijdag
 Terugkombijeenkomst o.l.v. tutor.
 Korte groepsopdracht.
 Bespreek met elkaar de speelmogelijkheden van de kleutergroepen op jouw werkplek.
-        Wordt er veel gespeeld op jouw werkplek?
-        Welke initiatieven kunnen kinderen zelf nemen?
-        Welke rol neemt de leerkracht aan?
Laat ze de kinderen spelen (staat zij zelf aan de zijlijn), help zij de kinderen spelen, neemt zij zelf deel aan het spel?
 Op maandag heb je het belang van spelen geformuleerd.
Herken je dit belang in de spelmogelijkheden op jouw werkplek?
 
Ter inleiding op de onderzoekstaak week B
Het kind staat spelend in de wereld.
 
Verkennend, exploratie, manipulatief spel.
Al doende ontwikkelt het kind een beeld van de werkelijkheid. Hij heeft immers via het sensopatische  en motorische spel begrip gekregen van de wereld om hem heen. Hij heeft de materialen senopatisch verkent. Al bewegend heeft hij de letterlijke ruimte om hem heen verkent.
Rollenspel.
Middels rollenspel speelt hij met de wereld om hem heen. Hij praat en gedraagt zich daarbij alsof hij een volwassene is. Hij spreekt de taal van de volwassenen. Hij doet alsof hij brandweerman is, hij doet alsof hij politie is, zij doet alsof zij dokter is.
Hierbij wordt alle informatie die het kind reeds verworven heeft over deze rol, in handelen en taal uitgedrukt.
In het rollenspel leert het kind ook de wereld van cijfers en letters. Immers alles in onze omgeving is gecijferd en geletterd.
Wanneer ik boodschappen ga doen, bekijk ik de reclames. Als ik met de bus mee moet, kijk ik op het reisschema, als ik in de Efteling naar de 'Droomvlucht' wil kijk ik op de bewegwijzering, wanneer ik iemand wil bellen kijk ik in het telefoonboek enz.
Al heel snel leert het jonge kind pictogrammen lezen. Denk aan de M van Mc Donalds.
Op natuurlijke wijze worden jonge kinderen ingeleid in de wereld van cijfers en letters.
 
Bij de Tussendoelen ontluikende en beginnende geletterdheid en de Tussendoelen voor gecijferdheid zien we aanvankelijk veel spel met lezen en rekenen. Het jonge kind doet alsof hij leest en cijfert. De werkelijke betekenis van de letters en cijfers is nog niet van belang voor hem.
Gaandeweg neemt het kind geen genoegen meer met doen alsof en zal hij vanuit de spelhandeling steeds meer gaan vragen naar wat er werkelijk staat.
Dit is het moment om met het kind gericht aan de slag te gaan met letter- en cijferkennis.
 
Zo groeit het kind van kleuter naar een lezend groep 3 kind.
 
Aan de hand van deze vragen onderzoek je de peuterspeelzaal, de kleutergroep, groep 3 en groep 4.
Aan de hand van je bevindingen, die je schriftelijk weergeeft (max. 5 pag.) ga je na of er een doorgaande lijn in de school zichtbaar is in de ontwikkeling van het spelende naar het lezende en rekenende kind.
 
Verplichte onderzoekstaak.
 
Voor in B-week.
 
Peuterspeelzaal.
Bezoek de peuterspeelzaal of peutergroep die bij jouw school hoort.
Kijk naar:
-        Mogelijkheden die kinderen daar hebben met spelen;
-        Welke activiteiten de leidster onderneemt op het terrein van lezen.
Voorlezen, verteltafel, peuters die zelf lezen, boekjes kijken, aanbod van prentenboeken enz.;
-        De aanwezigheid van evt. methodes of een VVE programma (welke?);
Zo ja, wat zegt deze methode over spelen en lezen?
 
Kleutergroep.
-        Werkt de kleutergroep met een methode?
-        Zo ja, welke?
-        Kun je kort aangeven hoe de leerkracht met deze methode werkt?
Is de methode een hulpbron om ideeën te krijgen? Is de methode een rode draad voor haar onderwijs of volgt de leerkracht de methode op vrij strikte wijze?
Wat vind jij hiervan?
Wat betekent dit voor kinderen?
 
-        Hoe verbindt de leerkracht het spelen en het lezen met elkaar?
Wordt er aandacht besteed aan geletterdheid? Zo ja, hoe?
-        Welke activiteiten onderneemt de leerkracht op het terrein van lezen?
Voorlezen, verhalen vertellen, versjes, verteltafel, beeldverhalen, prentenboeken, boekenhoek, poppenkast enz.
 
-        Hoe verbindt de leerkracht het spelen en het rekenen met elkaar?
Wordt er aandacht besteed aan gecijferdheid? Zo ja, hoe?
-        Wat heeft de bouw- en constructiehoek in jouw kleutergroep te maken met de doelen op het terrein van de meetkunde?
-        Welke activiteiten onderneemt de leerkracht op het terrein van de gecijferdheid en meetkunde?
Rekenverhaaltjes, rekenlesjes, inzet van de ontwikkelingsmaterialen enz.
 
Groep 3
-        Zijn alle kinderen 'toe' aan groep 3. Met andere woorden zou het voor enkele kinderen misschien nog beter geweest zijn wanneer zij een jaar langer in groep 2 gebleven waren? Waarom en waar blijkt dat uit?
-        Met behulp van welke methode leert de leerkracht kinderen lezen en rekenen?
-        Op welke wijze wordt lezen en rekenen (nog) verbonden met spelen?
-        Wordt er gewerkt in hoeken waar kinderen zelfstandig en op eigen wijze kunnen werken rondom de reeds geleerde letters en cijfers? Wat zou hiervan de betekenis kunnen zijn voor kinderen?
 
Groep 4
-        Op welke wijze kunnen kinderen zelfstandig en op eigen wijze aan het werk?
Bijvoorbeeld is er sprake van keuzetaken, dagtaken, werken in hoeken?
Is er ergens ruimte voor eigen initiatief van kinderen?
-        Wat is de rol van de methodes in groep 4?
Zijn deze een leidraad, of zijn deze richtinggevend, of bepalend voor de leerkracht?
 Opdracht voor rapportage in C-week, vrijdag.
 De student maakt een schriftelijk verslag van zijn onderzoek. 
Maximaal 5 pagina's.
De student presenteert een deelaspect van het onderzoek in een mondelinge presentatie van 7 minuten per persoon. Hij verwijst naar gebruikte literatuur en past de correcte theoretische vaktermen toe.
 Groepswerk is toegestaan (maximaal drie personen), maar zowel het schriftelijke verslag als de mondelinge presentatie geschiedt naar rato.
Week B
Maandag t/m donderdag op de werkplek.
 
Speel zoveel mogelijk mee met de kinderen in de speelhoek (rollenspel) buiten en in de speelzaal.
Maak hierbij gebruik van de kijkwijzer uit het boek 'Observeren kun je leren' op pagina 91/92. Deze kijkwijzer is ook terug te vinden op Delphi.
Vrijdag
 
Bijeenkomst o.l.v. de tutor.
 
Gelegenheid tot vragen stellen over de onderzoekstaak door de student.
Tutor kijkt en bespreekt het activiteitenplan van de student.
 
Tutor kan zelf richting geven door een deeltaak extra uit te lichten.
Bijvoorbeeld
Ø  Werken met een methode in de peuterspeelzaal: Piramide, Speelplezier of een andere methode?
Ø  Informatie geven over de VVE projecten.
Ø  Onderwijsvernieuwers in het kleuteronderwijs:
Frea Janssen-Vos met Basisontwikkeling.
Ferre Laevers met Ervaringsgericht onderwijs.
Ø  Doorlopende lijn peuterspeelzaal (VVE) naar groep 1 / 2?
Zijn er contacten tussen peuterspeelzaal en basisschool? In hoeverre is er al sprake van samenwerking?
Loopt het programma door? (Piramide of Speelplezier?)
 
Week C
 
Maandag.
 Bijeenkomst o.l.v. de  tutor.
 Rapportage onderzoekstaak.
 
Iedere student heeft een schriftelijk verslag geschreven van circa 5 pagina's.
Per student wordt een deelthema gepresenteerd.
Andere studenten gebruiken dit als leermoment.
Iedere student presenteert in ca. 7 min.
Bij de presentatie wordt erop toegezien dat de literatuur bestudeerd is, de gehele onderzoekstaak is afgerond en een eigen mening over de bevindingen van het onderzoek is opgenomen.
 
De tutor nodigt na elke presentatie een student uit om een verhelderingvraag te stellen.
Student probeert deze te beantwoorden.
 
Intekenlijst presentatie deelthema.
 
1.      Peuterspeelzaal.
Met of zonder methode.
2.      Speelmogelijkheden in de peuterspeelzaal.
3.      Kleuters en spelen.
4.      Kleuters spelen en lezen.
5.      Kleuters spelen en rekenen.
6.      Kleuters rekenen op de bouwmat.
7.      Leren lezen en rekenen in groep 3.
8.      Spelmogelijkheden in groep 3.
9.      Werken in hoeken in groep 3.
10.    Toe zijn aan groep 3 of een jaartje langer 'kleuteren'.
11.    Zelfstandigheid en eigen initiatief in groep 4.
Werken in hoeken, werken met keuzetaken, werken met dagtaken.
Vrijdag.
In verband met Sinterklaas is dit een extra stagedag.
 
 

Deelthema: Oudere kind

 
- Deelthema Oudere Kind.
 
Taak taal  
 
Opdracht in A-week, maandag
 
Artikel "Wat onderzoek leert over begrijpend lezen", Fr.C.Mommers in JSW jaargang 87 nummer 5.
 
1.      Artikel (voor tweede keer)lezen
2.      Op de eerste pagina van het artikel staat een centrale vraag geformuleerd, welke?
3.      Welke deelvragen zal de student eerst moeten kunnen beantwoorden, voordat hij antwoord kan geven op deze brede vraag?
4.      De door de student geformuleerde deelvragen moeten beantwoord worden. Hoe gaat de student dat aanpakken?
5.      Hoe denkt de student de werkplek bij zijn onderzoekje te kunnen betrekken?
 
 
Opdracht voor rapportage in C-week, vrijdag
 
De student maakt een schriftelijk verslag van zijn onderzoek. De door de student vooraf geformuleerde deelvragen worden op een logische en samenhangende manier uitgewerkt in een verslag.
De studenten presenteren in drietallen een deelaspect van het onderzoek. Zij verwijzen naar gebruikte literatuur en passen de correct theoretische vaktermen toe. Het doel van de presentaties is kennisoverdracht, de studenten leren van en met elkaar.
Tijdens de bijeenkomst moeten de verschillende deelaspecten dus geformuleerd en verdeeld worden.
 
 
Taak Rekenen 
 
Onderzoek naar een of meerdere oplossingsstrategieën.
 
Opdracht in A-week, vrijdag.
 
Artikel: " Houvast bieden ... en los durven laten", Kees Buijs en Peter de Wert in Willem Bartjens jaargang 26, maart 2007, nr. 4.
 
 
1.      Artikel lezen.
2.      In de eerste zin staat eigenlijk al de meest belangrijke vraag gesteld. Welke?
3.      Welke deelvragen kun je bedenken en/of onderzoeken en/of beantwoorden voordat je antwoord kunt geven op deze brede vraag? Werk aan de hand van het placemat en ga daarna in discussie.
4.      Hoe ga je de deelvragen beantwoorden? Welke aanpak hanteer je?
5.      Kan de werkplek van betekenis zijn bij je onderzoek? Hoe dan?
 
 
Opdracht voor rapportage in C-week, vrijdag.
 
De student maakt een PowerPoint presentatie van zijn onderzoek.
De PowerPoint presentatie heeft de volgende criteria:
1.      een opening met de meest belangrijke vraag, de toelichting op deze vraag gebeurt mondeling.
2.      De volgende sheets hebben steeds betrekking op de geordende deelvragen die steeds afsluiten met een deelvraag - conclusie en een literatuurverwijzing.
3.      De laatste sheet is de eindconclusie/ het antwoord van de eerste sheet.
 
Groepswerk is toegestaan, maar niet meer dan 3 mensen in een groep 
 

Deelthema VMBO/LWOO.

 
- Deelthema VMBO/LWOO.
 
Taak Puberteit.
 
Onderzoek naar puberteit.
 
Opdracht in A-week, maandag
 
Artikel:  Fragment: ,,Mijn moeder gaf me twee keer het leven''
(Bron: Nieuwsblad.be. Compleet artikel: zie Delphi).
 
 
,,Mijn moeder gaf me twee keer het leven'' Vriendin Peter Van Asbroeck is fier dat ze anorexia heeft overwonnen
Brussel - ,,Ik zal wel nooit perfect gelukkig zijn met mijn lichaam, maar ik ben genezen en ik voel me gelukkig. Eten domineert mijn leven niet meer. Anorexiapatiënten zijn geen slechte mensen, en ik ben fier dat ik de ziekte overwonnen heb.'' Anke Frédérick (21), professionele danseres, choreografe en vriendin van Thuis-acteur Peter Van Asbroeck brengt een prangende getuigenis over heet gevecht tegen de ziekte.
Anke Frédérick ziet er heel goed uit en heeft een lichaam waar veel meisjes geld zouden voor geven. Vandaag is Anke ook gelukkig: 21 jaar, ze danst onder meer in het TV1-programma Het Swingpaleis , geeft dansles, en sinds kort is ze verloofd met Thuis-acteur Peter Van Asbroeck. Maar ooit ging het Anke veel minder goed voor de wind. Tijdens haar puberteit worstelde ze jarenlang met eetstoornissen: eerst anorexia, het andere uiterste: boulimie.

 
 
Artikel:  Fragment: ,,Mijn moeder gaf me twee keer het leven''
 
1.      Artikel (zie Delphi) lezen
2.      Analyse van het vraagstuk betrekken richting puberteit.
3.      Welke relevante onderzoeksvragen zal de student gaan ontwerpen. Daarbij is de discussie binnen de tutorgroep van belang.
4.      De student is verplicht om bij zeker één van de deelvragen de werkplek bij zijn onderzoek te kunnen betrekken. Dat dient hij dan ook van tevoren vastgelegd te hebben.
5.      De door de student geformuleerde onderzoeksvragen moeten beantwoord worden. Hoe gaat de student dat aanpakken?
 
 
 
Opdracht voor rapportage in C-week, maandag.
 
De student maakt een schriftelijk verslag van zijn onderzoek. De door de student vooraf geformuleerde onderzoeksvragen worden op een logische en samenhangende manier uitgewerkt in een verslag.
De student presenteert een deelaspect van het onderzoek in een mondelinge presentatie van circa vijf tot zeven minuten per persoon. Hij verwijst naar gebruikte literatuur en past  de correct theoretische vaktermen toe.
 
Groepswerk is toegestaan (maximaal 3 personen), maar zowel het schriftelijke verslag als de mondelinge presentatie geschiedt  naar rato.
 
 
Taak VMBO-scholen & veiligheid.
 
Onderzoek naar VMBO-scholen & veiligheid.
 
Opdracht in A-week, vrijdag.
 
"Steekpartij Rotterdamse school: twee gewonden".
 
ROTTERDAM - Eén dag na de steekpartij op een vmbo-school in Amsterdam zijn in Rotterdam een medeleerling en een adjunct-directrice door een scholier neergestoken.
Beiden moesten naar het ziekenhuis worden gebracht. Ze verkeren buiten levensgevaar. De steekpartij vond plaats even buiten een vmbo-school aan de Japarastraat in Rotterdam-West.
De klas was op weg voor een uitje toen een leerling onenigheid kreeg met een leeftijdgenoot van een andere school. Deze pakte een steekwapen en begon te steken. De jongen werd gestoken in een arm en in zijn gezicht.
De adjunct-directrice (51) probeerde tussenbeiden te komen, en liep forse steekwonden op. De dader is gearresteerd. De politie vermoedt dat een eerdere ruzie tussen de jongens de aanleiding is.
(Volkskrant, oktober 2007).
Krantenartikel:  "Steekpartij Rotterdamse school: twee gewonden".
 
 
1.      Artikel (zie Delphi) lezen
2.      Analyse van het vraagstuk betrekken richting puberteit.
3.      Welke relevante onderzoeksvragen zal de student gaan ontwerpen Daarbij is de discussie binnen de tutorgroep van belang. Discussie
4.      De student is verplicht om bij zeker een van de deelvragen de werkplek bij zijn onderzoek te kunnen betrekken. Dat dient hij dan ook van tevoren vastgelegd te hebben.
5.      De door de student geformuleerde onderzoeksvragen moeten beantwoord worden. Hoe gaat de student dat aanpakken?
 
 
 
Opdracht voor rapportage in C-week, vrijdag.
 
De student maakt een schriftelijk verslag van zijn onderzoek. De door de student vooraf geformuleerde onderzoeksvragen worden op een logische en samenhangende manier uitgewerkt in een verslag.
De student presenteert een deelaspect van het onderzoek in een mondelinge presentatie van circa vijf tot zeven minuten per persoon. Hij verwijst naar gebruikte literatuur en past  de correct theoretische vaktermen toe.
 
Groepswerk is toegestaan (maximaal 3 personen), maar zowel het schriftelijke verslag als de mondelinge presentatie geschiedt naar rato.
 
 
Werkplekleren
 
Met name voor het deelthema Jonge Kind is er wat sturing gegeven met behulp van onderstaande omschrijvingen. Voor de andere twee deelthema's is dit niet zo concreet uitgewerkt.
 
Werkplek opdracht. (2 A-4tjes)
 
Verplichte  opdracht voor de A-week.
 
Kijk op je werkplek naar de spelmogelijkheden van het jonge kind.
Rollenspel in de speel- of themahoek.
-        Beschrijf de inrichting.
-        Beschrijf de rol van de leerkracht.
-        Welke mogelijkheden heeft het kind tot eigen initiatief?
Buitenspel.
-        Beschrijf de speelruimte.
-        Beschrijf de spelmaterialen die je aantreft.
-        Beschrijf de rol van de leerkracht.
 
Verplichte onderzoekstaak.
 
Voor in B-week.
 
Peuterspeelzaal.
Bezoek de peuterspeelzaal of peutergroep die bij jouw school hoort.
Kijk naar:
-        Mogelijkheden die kinderen daar hebben met spelen;
-        Welke activiteiten de leidster onderneemt op het terrein van lezen.
Voorlezen, verteltafel, peuters die zelf lezen, boekjes kijken, aanbod van prentenboeken enz.;
-        De aanwezigheid van evt. methodes of een VVE programma (welke?);
Zo ja, wat zegt deze methode over spelen en lezen?
 
Kleutergroep.
-        Werkt de kleutergroep met een methode?
-        Zo ja, welke?
-        Kun je kort aangeven hoe de leerkracht met deze methode werkt?
Is de methode een hulpbron om ideeën te krijgen? Is de methode een rode draad voor haar onderwijs of volgt de leerkracht de methode op vrij strikte wijze?
Wat vind jij hiervan?
Wat betekent dit voor kinderen?
 
-        Hoe verbindt de leerkracht het spelen en het lezen met elkaar?
Wordt er aandacht besteed aan geletterdheid? Zo ja, hoe?
-        Welke activiteiten onderneemt de leerkracht op het terrein van lezen?
Voorlezen, verhalen vertellen, versjes, verteltafel, beeldverhalen, prentenboeken, boekenhoek, poppenkast enz.
 
-        Hoe verbindt de leerkracht het spelen en het rekenen met elkaar?
Wordt er aandacht besteed aan gecijferdheid? Zo ja, hoe?
-        Wat heeft de bouw- en constructiehoek in jouw kleutergroep te maken met de doelen op het terrein van de meetkunde?
-        Welke activiteiten onderneemt de leerkracht op het terrein van de gecijferdheid en meetkunde?
Rekenverhaaltjes, rekenlesjes, inzet van de ontwikkelingsmaterialen enz.
 
Groep 3
-        Zijn alle kinderen 'toe' aan groep 3. Met andere woorden zou het voor enkele kinderen misschien nog beter geweest zijn wanneer zij een jaar langer in groep 2 gebleven waren? Waarom en waar blijkt dat uit?
-        Met behulp van welke methode leert de leerkracht kinderen lezen en rekenen?
-        Op welke wijze wordt lezen en rekenen (nog) verbonden met spelen?
-        Wordt er gewerkt in hoeken waar kinderen zelfstandig en op eigen wijze kunnen werken rondom de reeds geleerde letters en cijfers? Wat zou hiervan de betekenis kunnen zijn voor kinderen?
 
Groep 4
-        Op welke wijze kunnen kinderen zelfstandig en op eigen wijze aan het werk?
Bijvoorbeeld is er sprake van keuzetaken, dagtaken, werken in hoeken?
Is er ergens ruimte voor eigen initiatief van kinderen?
-        Wat is de rol van de methodes in groep 4?
Zijn deze een leidraad, of zijn deze richtinggevend, of bepalend voor de leerkracht?
 
 
Opdracht voor rapportage in C-week, vrijdag.
 
De student maakt een schriftelijk verslag van zijn onderzoek. 
Maximaal 5 pagina's.
De student presenteert een deelaspect van het onderzoek in een mondelinge presentatie van 7 minuten per persoon. Hij verwijst naar gebruikte literatuur en past de correcte theoretische vaktermen toe.
 
Groepswerk is toegestaan (maximaal drie personen), maar zowel het schriftelijke verslag als de mondelinge presentatie geschiedt naar rato.